Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com

Phoenix > Boek 4

3 Ovidius, tekst 4: Onmogelijke liefde: Pyramus en Thisbe (Metamorphoses IV, 55 - 166)

Pyramus en Thisbe, de één de mooiste van de jongemannen, de andere, verkozen boven de meisjes die het oosten had, bezaten aanpalende huizen, waar men zegt dat Semiramis de stad ommuurd had met hoge muren van baksteen.(= Babylon) De nabijheid bewerkstelligde de kennismaking en de eerste stappen; door de tijd groeide de liefde. Ze zouden ook samenkomen met het recht van de bruidsfakkel, maar hun vaders verboden dat; maar dit konden ze hen niet verbieden: beiden brandden in gelijke mate nadat hun geesten door de liefde gevangen waren. Medeweten ontbrak aan allen, ze spraken met een hoofdknik en signalen, en hoe meer het verborgen werd, des te meer werd het verlangen aangewakkerd. De gemeenschappelijke muur van elk van beide huizen was gebarsten door een dunne spleet, die hij destijds verkregen had, wanneer hij gemaakt werd. Dit gebrek, dat gedurende lange eeuwen door niemand opgemerkt is, zagen jullie, geliefden, als eerste - wat merkt de liefde niet? - jullie maakten een weg voor jullie stem, en lieve woordjes waren gewoon door een zeer zacht gefluister over te steken. Dikwijls, telkens wanneer Thisbe aan de ene, Pyramus aan de andere kant samenkwamen, en de ademhaling van de mond om beurten opgevangen was, zeiden ze: "Jaloerse muur, waarom verhinder jij deze geliefden? Hoe weinig moeite zou het gekost hebben dat je het zou laten gebeuren dat wij door geheel ons lichaam zouden verbonden worden, of indien dat overdreven is, dat je in elk geval zou gehoorzamen aan het geven van zoenen? We zijn toch niet ondankbaar: we bekennen jou verschuldigd te zijn, omdat onze woorden een overtocht gegeven is naar bevriende oren." Nadat zodanige woorden vanop afzonderlijke zitplaats gezegd waren, zeiden ze bij het vallen van de nacht: "Tot ziens!" en gaven ze elk aan hun kant zoenen, die de andere kant niet bereikten. De volgende dageraad verwijderde de nachtelijke lichten en de zon droogde met haar stralen het bedauwde gras: ze kwamen samen bij de verlaten plaats. Toen, nadat ze eerst veel, met een zacht verfluister, geklaagd hadden, ze besloten hadden te proberen om de bewakers in de nachtelijke stilte te misleiden en langs de deuren weg te gaan, wanneer ze het huis zouden buitengegaan zijn, en de bescherming van de stad zouden verlaten en opdat ze niet zouden verdwalen terwijl ze zouden wandelen door de brede velden, zouden ze samenkomen bij het grafmonument van Ninius en zouden ze zich verbergen onder de schaduw van een boom: waar de boom, rijk aan sneeuwwitte vruchten, de hoge moerbeiboom was, grenzend aan de koele bron.
Deze overeenkomst beviel hun. En het daglicht, dat traag leek weg te gaan, stortte zich in het water en uit datzelfde water ging de nacht buiten. Nadat de scharnier gekeerd was, ging snuggere Thisbe naar buiten, misleidde de hare, en gesluierd kwam ze aan bij het graf en vestigde zich onder de afgesproken boom. De liefde maakte haar overmoedig. Kijk daar komt de leeuwin, besmeurd, wat betreft haar muil, die schuimt door een pasgebeurde moord op runderen, is van plan haar dorst te lessen in de golf van een naburige bron. En de Babylonische Thisbe zag haar van ver door de stralen van de maan en vluchtte met vrezende voet naar een duistere grot, en terwijl ze vluchtte, liet ze haar sluier, nadat die van haar rug gegleden is, achter. Zodra de woeste leeuwin haar dorst met veel water gelest had, verscheurde ze, terwijl ze terugkeerde naar het bus, het dunne kledingstuk, dat toevallig zonder haarzelf (> zonder Thisbe) gevonden was met haar bebloede muil.
Pyramus, die wat later van huis was gegaan, zag in het hoge stof de duidelijke sporen van een wild dier en werd bleek over zijn hele gezicht. Maar zodra hij ook het door bloed gekleurde kleed vond, zei hij: 'Eén nacht zal twee geliefden te gronde richten. Van hen was zij het meest een lang leven waar, (maar) mijn ziel is schuldig. Ik heb jou gedood, beklagenswaardige, ik die bevolen heb dat jij in de nacht kwam naar gebieden vol vrees, en niet ben ik eerder hierheen gekomen. Verscheur mijn lichaam en vreet met wilde beet mijn misdadige ingewanden, o jullie leeuwen, die aan de voet van deze rots wonen! Maar het is eigen aan een lafaard om de dood te wensen.' hij pakte de sluier van Thisbe op en nam hem met zich mee naar de schaduw van de afgesproken boom. En terwijl hij het bekende kledingstuk tranen en zoen gaf, zei hij: 'Aanvaard nu ook de stroom van ons bloed!' en het zwaard waarmee hij omgord, was, zond hij in zijn onderbuik weg, stervend trok hij het zonder twijfel uit de brandende wonde en lag achterover op de grond. het bloed spatte hoog op, niet anders dan wanneer een waterleidingbuis scheurt, nadat het bloed de boomvruchten in een donkere gedaante veranderden en door het bloed nat gemaakt, kleurde de wortel de hangende moerbeien met een purperrode kleur.
Kijk! Zij keerde, hoewel ze haar angst nog niet had afgelegd, terug om haar minnaar niet te bedriegen en ze zocht de jongen met haar ogen en haar hart en ze brandde van verlangen te vertellen hoe grote gevaren ze vermeden had. Weliswaar herkende ze de plaats en de vorm van de (reeds eerder) geziene boom, maar toch maakte de kleur van de vrucht haar onzeker: ze aarzelde of het deze was. Terwijl ze aarzelde zag ze de trillende ledematen tegen de bebloede grond slaan, en ze deed een stap terug en (met een gelaat bleker dan palmhout) huiverde ze precies als water dat zich rimpelt wanneer de oppervlakte door een licht briesje bestreken wordt. Maar nadat zij stil was blijven staan en haar geliefde herkend had, sloeg zij tegen haar onwaar onwaardige armen met een luide klap, en zich de haren uitrukkend en het dierbare lichaam omarmend, vulde zij de wonden met tranen. 'Pyramus,' riep ze uit, 'Welk voorval ontneemt jou van mij? Pyramus, antwoord: je zeer dierbare Thisbe roept jou: luister en hef je gezicht dat op de grond ligt op!' Bij de naam van Thisbe richtte Pyramus zijn ogen, die reeds verzwaard waren door de dood, op en nadat ze gezien was, sloot hij ze. Nadat ze haar kledingstuk herkende en het ivoor zonder zwaard zag, snikte ze: 'Jouw hand en de liefde stortten jou in het verderf, ongelukkige. Voor dit ene doel is aan mij dezelfde dappere hand, ook de liefde is er: dit zal kracht gen voor verwondingen. Ik zal de dode volgen in de (zeer) rampzalige oorzaak van de dood en jouw metgezel genoemd worden; Jij die, helaas, alleen door de dood ontrukt kon worden aan mij, jij zult (toch) niet door de dood ontrukt kunnen worden. Weest echter, zeer ongelukkige ouders van mij en van hem, uit naam (met woorden) van beiden hierom gevraagd, dat jullie het ons/hen, welke een trouwe liefde en het laatste uur (met elkaar) verbonden heeft, niet misgunnen dat zij bijgezet worden (/bijgezet te worden) in hetzelfde graf. Maar jij boom, die met je takken het beklagenswaardige lichaam van één persoon bedekt, en weldra dat van twee zult bedekken, bewaar een herinnering aan de dood en draag altijd je vruchten donker en geschikt voor rouw, als aandenken van dubbel bloedvergieten.'
Ze zei dit en plaatste het zwaard onder haar borst, stortte zich op het zwaard dat tot nu toe warm was door de moord. Toch bereikten (/troffen) hun wensen de goeden en bereikten ze hun ouders: want de kleur van de vrucht is, wanneer hij volledig rijp is, zwart en wat van de brandstapel is overgebleven, rust in een urne.