7.7a het vonnis
Categorie: Boek > SPQR > Versie 1
Toen beval Nebukadnessar, in razernij en in woede, dat Sadrach, Mesach en Abednego moesten worden
voorgeleid: zij werden onmiddellijk voorgeleid in het aangezicht van de koning.
Verkondigend zei koning Nebukadnessar tegen hen: ‘Vereren jullie, Sadrach, Mesach en Abednego, werkelijk
niet mijn goden en aanbidden jullie het gouden beeld niet dat ik bouwde? Kniel nu dus, als jullie klaar zijn,
zodra jullie het geluid van de trompet, fluit, lier, harp, citer en dubbelfluit zullen hebben gehoord en elke soort
muziek, en aanbid het standbeeld dat ik maakte: maar als jullie niet zullen hebben aanbeden, zullen jullie
hetzelfde moment nog in de oven met brandend vuur worden gegooid; en wie is de God, die jullie uit mijn
hand zou redden?’
Sadrach, Mesach en Abednego antwoordden en zeiden tegen koning Nebukadnessar: ‘Het is niet passend voor
ons om u te antwoorden over deze zaak. Want onze God, die wij vereren, kan ons redden uit de oven van
branden vuur en uit uw handen, o koning, bevrijden. Maar ook al zal hij niet willen, laat het bekend zijn aan u,
koning, dat wij uw goden niet vereren en het gouden beeld, dat u oprichtte, niet aanbidden.’