in catilinam hermaion
3 Cicero, in Catilinam
3.1 Exordium
Hoe lang nog, Catilina?
1 Hoe lang nog zul je in vredesnaam ons geduld misbruiken, Catilina? Hoe lang nog zal die razernij van jou ons bespotten? Tot welk punt zal [jouw/die] teugelloze overmoed tekeer gaan? Hebben op geen enkele manier indruk op jou gemaakt de nachtelijke bewaking van de Palatijn, op geen enkele manier de wachtposten in/
van de stad, op geen enkele manier de angst van het volk, op geen enkele manier
het samenwerken van alle goede mensen, op geen enkele manier deze zeer versterkte plaats om een 5 senaat[svergadering] te houden, op geen enkele manier de gezichten en uitdrukkingen van deze [mannen] hier? Voel je niet dat jouw
plannen duidelijk zijn, zie je niet dat jouw samenzwering al onder controle wordt gehouden door de kennis van al deze mensen hier? Wat je in de vorige, wat je
in de eervorige nacht gedaan hebt, waar je bent geweest, wie je bijeen hebt ge-
roepen, welk plan je hebt gesmeed, wie van ons denk je dat dit niet weet?
O tempora, o mores!
Wat een tijden, wat een gedrag! De senaat begrijpt dit (deze dingen), de consul ziet het; toch 10 leeft hij [nog]. Hij leeft? Ja werkelijk, sterker nog, hij komt zelfs naar de senaat, hij wordt deelnemer aan een openbare vergadering, hij markeert
en wijst aan een ieder van ons voor de slacht. Wij dappere mannen echter schijnen
genoeg te doen voor de staat/republiek als wij zijn razernij en wapens zouden
kunnen vermijden. Het behoorde/was nodig dat jij al lang op bevel van de consul ter dood werd gebracht, dat dat onheil op jou werd toegepast, dat jij al lang voor ons allen beraamt.
Een legerkamp in Etrurië
Er is een kamp ingericht in Italië in de passen van Etruria [gericht] tegen het
Romeinse volk, het aantal vijanden groeit van dag tot dag. De opperbevelhebber echter van dat kamp en de leider van de vijanden zien jullie binnen de muren en zelfs in de senaat, terwijl hij dagelijks een of ander intern verderf voor de staat/
republiek onderneemt. 50 Als ik eindelijk zal hebben bevolen dat jij gegrepen/
gearresteerd wordt, Catilina, dat jij gedood wordt, zal ik bang moeten zijn (lett.
zal er door mij moeten worden gevreesd), geloof ik, dat niet eerder alle goede [mensen zeggen] dat dit te laat is gedaan door mij, dan dat (één) iemand zegt
dat dit te wreed is gedaan. Maar ik word er nog niet toe gebracht om dat te doen, wat al lang gedaan had moeten worden, vanuit een heldere/zekere reden: dan
pas zul je gedood worden, wanneer uiteindelijk niemand zó slecht, zó verdorven, zó op jou lijkend zal kunnen worden gevonden, dat hij beweert dat dit 55 niet
terecht is gedaan. Zolang er iemand zal zijn, die jou durft te verdedigen, zul je
leven, en je zult zó leven, [zo]als je nu leeft, belegerd door mijn vele en krachtige wachtposten, opdat je jezelf niet kunt bewegen tegen de staat/republiek. Ook de ogen en oren van velen zullen jou bespioneren en bewaken, hoewel je dat niet merkt, zoals ze tot nu toe hebben gedaan.
3.2 Narratio
Een aanslag gepland op de consul!
O onsterfelijke goden! Waar ter wereld zijn we? Wat voor/welke staat hebben we?
In wat voor/welke stad leven we? Hier, hier zijn in ons aantal (= onder ons), sena-
toren, in deze allerheiligste, en allereerbiedwaardigste raad ter wereld, [mensen]
die over de ondergang van ons allen, die over het einde van deze stad, en zelfs
het einde van de wereld nadenken. 5 Hen zie ik, de consul (als consul) en ik
vraag hun mening over de staat, en hen – van wie het behoorde/goed zou zijn
dat ze met het zwaard werden afgeslacht, verwond ik nog niet [eens] met mijn stem. Jij bent dus bij Laeca geweest in die nacht, je hebt de delen/regio’s van
Italië verdeeld, je hebt bepaald, waarheen het [jou] beviel/behaagde dat eenieder vertrok, je hebt [mensen] uitgekozen om in Rome achter te laten, om met je mee naar buiten te nemen, je hebt delen van de stad aangewezen voor brandstichting, je hebt bevestigd dat je zelf 10 al op het punt stond naar buiten te gaan, je hebt gezegd dat er voor jou zelfs nu een beetje uitstel was, (om)dat ik [nog] leefde,
er zijn twee ridders gevonden, die jou van die zorg moesten bevrijden (of: om …
te bevrijden) en beloofden dat zij mij in diezelfde nacht in mijn bed kort voor de dageraad zouden doden.
Ga nu maar weg, Catilina!
Dit alles ben ik te weten gekomen, nadat nog maar nauwelijks jullie bijeenkomst was opgeheven. Ik heb mijn huis met grotere wachtposten beveiligd en versterkt, ik heb hen buitengesloten, die jij ’s morgens naar mij had gestuurd om 15 [mij]
te begroeten, toen precies die mensen waren gekomen, van wie ik al had voor-
speld aan vele en zeer vooraanstaande mannen dat ze op dat moment naar mij zouden komen. [En] omdat die dingen zo zijn, Catilina, ga verder, waarheen je
begonnen bent (te gaan), ga eindelijk weg uit de stad; de poorten staan open; vertrek. Al te lang al verlangt dat Manlius-kamp van je naar jou als bevelhebber. Breng al de jouwen met je mee naar buiten, [en] als (je er) minder (wegvoert), [dan] zoveel mogelijk; reinig 20 de stad. Je zult mij van grote angst bevrijden, als er tussen mij en jou een muur zit. Met ons omgang hebben kun je al niet langer;
ik zal het niet verdragen, ik zal het niet dulden, ik zal het niet toestaan.
3.3 Argumentatio
3.3.1 Je bereikt hier niks meer
Meermaals heb je mij persoonlijk willen doden
Grote dank moet worden betuigd aan de onsterfelijke goden en aan Jupiter Stator zélf hier, de alleroudste beschermer van deze stad, [voor het feit] dat we aan
deze zó walgelijke, zó gruwelijke, en zó de staat bedreigende pest al zó vaak zijn ontkomen. Het uiterste behoud van de staat moet niet vaker in [de persoon van]
één mens op het spel gezet worden. 5 Zolang als jij mij als consul designatus naar
het leven stond, Catilina, heb ik mezelf niet met/door een publieke bescherming/
garnizoen verdedigd, maar met met/door mijn private oplettendheid. Toen jij in
de laatste consulverkiezingen mij, als consul, en jouw mededingers op de Campus Martius wilde vermoorden, heb ik jouw misdadige pogingen onderdrukt met/door de bescherming en troepen van vrienden, zonder enig openbaar tumult te ont-
ketenen (lett. waarbij geen enkel openbare alarm is geslagen). Al met al, hoe
vaak ook je mij hebt aangevallen, heb ik je bestreden door middel van mijzelf,
10 hoewel ik zag dat mijn ondergang was verbonden met groot onheil van/voor
de staat.
Nu val je de volledige staat aan
Nu val je al openlijk de volledige staat aan; de tempels van de onsterfelijke goden,
de huizen/gebouwen van de stad, het leven van alle burgers, heel Italië tenslotte roep je tot verderf en verwoesting. Daarom, aangezien ik dit, wat het eerste/
beste is en wat 15 passend is bij deze volmacht en bij de strengheid van [onze] voorvaderen, nog niet durf te doen, zal ik dit doen wat zachtaardiger is qua
strengheid, (en/maar) nuttiger qua algemeen heil. Want als ik zal hebben bevolen
dat jij gedood wordt, zal de overige groep van samenzweerders in de staat achter-
blijven; maar als jij weg zult zijn gegaan, waartoe/wat ik (je) al lang oproep/
aanspoor, zal uit de stad uitgehoosd zijn het grote en voor de staat gevaarlijke lenswater/uitschot van jouw metgezellen.
Dit is toch ook niks voor jou?
20 Wat is er, Catilina? Je aarzelt toch niet – omdat ik je dat opdraag – te doen,
wat je al uit je eigen vrije wil aan het doen was (of: wilde doen)? De consul beveelt een vijand weg te gaan uit de stad. Vraag je me, ‘toch niet in ballingschap?’ Ik beveel het niet, maar, als je me om raad vraagt, ik adviseer het. Want was is het, Catilina, dat jou in deze stad nu/nog kan behagen? Waarin niemand is buiten die samenzwering van verdorven mensen, die jou niet vreest, niemand die [jou] 25 niet haat. Welk merkteken van huiselijke schande is niet ingebrand in jouw
leven? Welke schande van privé aangelegenheden kleeft niet aan jouw reputatie? Welke wellust heeft ooit ontbroken aan jouw ogen, welke misdaad aan jouw
handen, welke laagheid aan jouw hele lichaam? Aan welk jongetje, die jij in de verleidingen van jouw perverse invloed had verstrikt, heb jij geen zwaard voorgehouden voor een roekeloze daad, geen fakkel voor lust?
3.3.4 Waarom laat ik hem gaan, vragen jullie?
Laat je hem gaan, Cicero?
Nu, heren senatoren, opdat ik een bijna terechte klacht van het vaderland van mij afweer en afwend, luister alstublieft aandachtig, wat ik zeg, en prent dat diep in
uw hart en uw geest in. Want als het vaderland, dat mij veel dierbaarder is dan mijn [eigen] leven, als heel Italië, als 5 de hele staat als volgt met/tegen mij zou spreken: Marcus Tullius, wat doe je? Laat jij (lett. zul jij laten) hém weggaan, van wie je te weten bent gekomen dat hij een vijand is, van wie jij ziet dat hij een
leider in/van de oorlog zal zijn, van wie jij voelt dat hij verwacht wordt als opper-
bevelhebber in het kamp van de vijanden, aanstichter van misdadigheid, leider
van de samenzwering, ophitser van slaven en verdorven burgers, zodat hij niet door jou weggestuurd uit de stad, maar losgelaten op de stad 10 schijnt te zijn?
Je zult toch wel bevel geven dat hij naar de gevangenis wordt gevoerd, dat hij ter dood wordt gebracht, dat hij bestraft wordt met de uiterste straf?
Wat houdt je tegen?
Wat belemmert je in vredesnaam? Het gebruik/de gewoonte van onze voorouders?
Maar zeer vaak hebben in deze staat zelfs privépersonen schadelijke burgers met de dood bestraft. Of de wetten, die zijn aangenomen over de doodstraf van
Romeinse burgers? Maar nooit hebben in deze stad, diegenen die 15 de staat
ontrouw werden, hun burgerrechten gehouden. Of vrees je de haat van het na-
geslacht? Je betuigt het Romeinse volk werkelijk een zeer duidelijke dank, dat jou, een man [die] vanwege jou[zelf] bekend is, met geen enkele aanbeveling
van zijn voorouders, zo snel door alle stadia van de staatsambten heen tot de hoogste macht verhief, als jij vanwege haat, of de angst voor een of ander gevaar, het heil van jouw burgers verwaarloost. (29) Maar als er enige 20 angst voor
haat bestaat, (dan) moet haat wegens strengheid en krachtig optreden niet meer gevreesd worden, dan [haat] vanwege laksheid en waardeloosheid. Of, wanneer Italië door oorlog zal worden verwoest, de steden zullen worden geteisterd,
de gebouwen zullen branden, denk jij dat je dan niet ten offer zult vallen aan
brandende haat.