Brief 4: Angst voor de dood.
Categorie: Auteur > Seneca
1.4.1. Houd vol zoals je begonnen bent en haast je zoveel je kunt, om des te langer te kunnen profiteren van een gezuiverde en evenwichtige geest. Profiteren zul je er zeker van ook terwijl je met die zuivering bezig bent, ook terwijl je in evenwicht brengt: toch is dat genot anders dat je put uit de beschouwing van een geest die van elke smet zuiver is en stralend.
1.4.2. Je herinnert je stellig nog hoeveel vreugde je voelde toen je, na het afleggen van de jongenstoga de mannentoga aantrok en naar het forum geleid werd: stel je verwachting in op meer wanneer je je jongensgeest afgelegd hebt en de filosofie je overgeboekt heeft naar de volwassenen. Tot nu toe immers blijft er niet slechts jongensachtigheid hangen, maar, wat ernstiger is, kinderachtigheid. En hierom is die zeker een groter kwaad, omdat wij het gezag van ouderen hebben maar de tekorten van jongens, en niet alleen van jongens maar zelfs van kleuters: de eersten vrezen onnozele, de laatsten ingebeelde zaken, wij allebei.
1.4.3. Ga eens een stapje verder: je zult gaan inzien dat sommige zaken des te minder vreeswekkend zijn juist omdat zij veel vrees inboezemen. Geen enkele ramp is groot omdat hij de ultieme is. De dood komt op je af: hij zou vreeswekkend zijn als hij samen met je zou kunnen bestaan: maar noodzakelijkerwijs bereikt hij je niet of gaat je deur voorbij.
1.4.4. 'Het is moeilijk', zeg je,'de geest te brengen tot verachting van het leven'. Zie je niet door welke futiele oorzaken die verachting wordt opgevat ? De een heeft zich verhangen in een strop voor de deur van een vriendinnetje, de ander heeft zich hals over kop van het dak gestort om niet langer het gescheld van zijn meester te hoeven aanhoren, weer een ander heeft, om niet van een ontsnapping teruggevoerd te hoeven worden het zwaard in zijn ingewanden gestoten: denk je niet dat manhaftigheid datgene zal bewerken wat een te grote bangigheid heeft gekund ? Niemand kan een zorgeloos leven ten deel vallen die te veel nadenkt over het rekken ervan, die als belangrijk goeds veel jaren rekent.
1.4.5. Om gelaten het leven te verlaten moet je dagelijks dit overdenken, dat jij in staat bent met een evenwichtige houding uit het leven te stappen, hoe velen zich er zo aan vastklampen en zich zo proberen vast te houden als aan doornen en rotsen degenen die door een watervloed meegesleurd worden. Zeer vele ongelukkigen worden heen en weer geslingerd tussen vrees voor de dood en kwellingen van het leven en willen weliswaar niet leven maar weten niet te sterven.
1.4.6. Maak dus je hele leven prettig voor jezelf door alle getob daarover af te leggen. Geen enkel goed strekt de bezitter tot vreugde tenzij zijn hart op het verlies ervan voorbereid is; van geen enkel bezit echter is het verlies simpeler dan van datgene wat, eenmaal verloren, niet meer terugverlangd kan worden. Dus spreek jezelf moed in en hard jezelf tegen datgene wat zelfs de machtigsten kan overkomen.
1.4.7. Over het leven van Pompeius hebben een knaap en een eunuch beschikt, over Crassus een wrede en brutale Parth; Caligula heeft Lepidus opgedragen zijn nek aan te bieden aan de tribuun Dexter, zelf heeft hij hem aangeboden aan Chaerea; niemand is door het fortuin zo hoog ververheven dat alleen hem niet bedreigt wat hij zelf had toegelaten. Vertrouw deze rustige omstandigheden niet: in een oogwenk wordt de zee op zijn kop gezet; op dezelfde dag dat men de trossen heeft losgegooid worden de schepen verzwolgen.
1.4.8. Bedenk dat ook een dief en een vijand zijn zwaard op je keel kunnen zetten; ook al ontbreekt een machtiger iemand, iedereen, zelfs een slaaf, heeft tegenover jou de beschikking over leven en dood. Ik durf het zelfs zo te formuleren: alwie levensverachting getoond heeft is meester over het jouwe. Denk aan de voorbeelden van diegenen die omgekomen zijn door hinderlagen binnenshuis, ofwel door openlijk geweld ofwel door list: je zult tot de conclusie komen dat er niet minder zijn gedood door de woede van slaven dan door die van koningen. Wat maakt het jou dan uit hoe machtig degene is voor wie je bang bent wanneer iedereen in staat is tot datgene waarvoor je bang bent ?'
1.4.9. Maar gesteld dat je in de handen van vijanden bent terechtgekomen: je overwinnaar zal opdracht geven dat je gevoerd wordt - toch daarheen waarheen je al onderweg bent. Wat neem je jezelf in de maling en begrijp je dit nu pas voor het eerst wat je allang onderging ? Ik wil het zo zeggen: sedert je geboren bent, ben je er al naar op weg. Deze en dergelijke overwegingen moeten we ons voor de geest halen als we dat laatste uur in vrede willen afwachten waarvoor de vrees alle andere soorten vrees verontrust.
1.4.10. Maar om deze brief te beŽindigen: lees wat ik vandaag aan aantrekkelijks vond - en ook dit is weer uit andermans tuintjes geplukt: 'een grote rijkdom vormt de armoede die afgestemd is op de natuurwet'. Die natuurwet echter, weet je welke criteria die stelt ? Geen honger lijden, geen dorst en geen kou. Om honger en dorst te verdrijven is het niet noodzakelijk bij de deuren van patsers neer te hurken noch hun trotse wenkbrauwfronsen en zelfs hun vernederende welwillendheid te trotseren, het is niet nodig de zeeŽn te bevaren of het legerkamp te betrekken: wat de natuur nodig heeft is bereikbaar en ons in de schoot geworpen.
1.4.11. Het is voor het overbodige dat wij ons uitsloven; dat is het waarvoor we onze toga verslijten, wat ons ertoe aanzet om oud te worden in krijgsdienst, wat ons naar vreemde kusten drijft: onder onze hand ligt wat voldoende is. Wie het met zijn armoede goed kan vinden is rijk. Het beste !