Pallas > Druk 4: Boek 1
Hoofdstuk 13, tekst B: Menelaos en Helena
1. Ook Menelaos nam deel aan de verwoesting van Troje.2. Hij doodde zoveel mogelijk Trojanen, terwijl hij zocht naar zijn vrouw Helena; want hij was vooral boos op haar en wilde haar doden.
3. Toen Helena Menelaos van verre zag, vluchtte ze met zeer grote angst voor haar man, maar zij ontging hem niet.
4. Hij achtervolgde haar en met zijn hand hief hij reeds zijn zwaard op.
5. Zij viel bij zijn knieën neer en smeekte hem met deze woorden:
6. ‘Allerdierbaarste man, dood mij niet, maar heb medelijden!
7. Want ik ben niet slecht, maar ben nu dezelfde vrouw als vroeger.
8. Aphrodite is de oorzaak van deze slechte daden van mij!
9. Want het is duidelijk dat ik door toedoen van die godin hierheen ben gegaan en nu in dit huis van Priamos woon.
10. Heb dus vergiffenis voor mij.
11. Want ik houd alleen van jou, en alleen voor jou — niet voor een andere man — wil ik de allertrouwste vrouw zijn!’
12. Met deze woorden smeekte Helena hem om haar niet te doden, en Menelaos aarzelde:
13. ‘Dood ik haar, of niet?
14. Want zij lijkt mij nu dezelfde vrouw te zijn als vroeger.
15. En het is duidelijk dat zij een beeldschone vrouw is, gelijkend op een godin!’
16. Zijn zwaard viel uit zijn hand en Menelaos vergaf haar, want ook nu hield hij nog van zijn vrouw!

