Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com

Minerva > Boek 1

Tekst 7B

(1) Je bent verstandig, omdat je vriendelijk met jouw slaven leeft.
Sommigen zeggen: “Het zijn slaven”, jij meent echter: ‘Nee, het / ze zijn mensen!’
En altijd zeg jij: “Het / Ze zijn huisvrienden”,
anderen menen echter: “Nee, het zijn slaven!”
(5) Er zijn echter veel voorbeelden van wreedheid jegens slaven:
aan sommige slaven is het niet toegestaan te spreken, terwijl de meester dineert. En als een of andere
slaaf toch de stilte onderbreekt, is (/ volgt) er een zware straf.
Andere slaven misbruiken wij als vee: wanneer
wij gaan aanliggen aan tafel, ruimt de een het speeksel op, de ander raapt de resten
(10) van dronkenlappen op.
Sommige meesters bevelen de slaven wijnschenkers te zijn en
versieren hen dan met vrouwenkleding.
Jij handelt echter juist, omdat jij je slaven met woorden, niet met zweepslagen
straft. Jouw slaaf is immers op dezelfde manier geboren
(15) en ademt net zo (als jij), leeft net zo en sterft net zo.
Bovendien is het dom / dwaas om een mens of op grond van zijn kleding of op grond van
zijn afkomst te beoordelen.
Dit is de kern van mijn opvatting: leef zo met een mindere,
zoals jij wil dat een meerdere met jou leeft.