Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com

Onbekend (verhalen)

Paterculus: Historiae Romana (117-120)

(117) Quintilius Varus, afkomstig uit een eerder bekende dan adellijke familie, een man wat betreft karakter zwak, wat betreft gewoontes rustig, zowel wat betreft lichaam als geest al te passief, eerder gewend aan het niets doen in de kampen dan oorlogssoldaat zijn, hoeveel hij echter geen minachter was van geld, dat toonde Syrië aan, waarvan hij aan het hoofd stond, nadat hij arm het rijke land binnenkwam, (en) rijk het arme land verliet.

Toen hij het leger, dat in Germania was, leidde, vormde hij zicht het gedacht dat mannen, die behalve een stem en ledematen niets van mensen hadden, mensen waren en dat zij die met zwaarden niet getemd konden worden, zacht konden gemaakt worden door recht.

Met dit voornemen, nadat hij opgerukt was tot in het midden van Germania, alsof hij tussen de mannen genietend van de vrede met zoetheid, met rechtspraak en door de orde te handhaven voor het tribunaal, bracht hij het zomerseizoen door.

Maar de Germanen – men moet ze al meegemaakt hebben om het te geloven – zijn in al hun extreme woestheid ook uitgesproken listig, het is een volk geboren om te liegen.

Ze kwamen aanzetten met hele reeksen fictieve geschillen en provoceerden elkaar nu eens tot heftige ruzies en spraken dan weer hun dank uit dat hieraan een eind kwam door de Romeinse rechtspraak, ja, dat hun woestheid werd verzacht door dit nieuwe, voor hen nog onbekende systeem, dat wat ze normaal gesproken uitmaakten met wapens nu beslecht werd door het recht.

Dit alles leidde ertoe dat Quintilius alle voorzorgen opgaf, en het kwam zo ver dat hij zichzelf zag als een stadspretor die rechtsprak op het forum, niet als legercommandant middenin Germaans gebied.

(118) Toen kwam er een jongeman van aanzienlijke komaf, fysiek sterk, snel reagerend, alerter en intelligenter dan de gemiddelde barbaar, genaamd Arminius, zoo van (lokale) stamleider Sigimerus, met op zijn gezicht en in zijn ogen duidelijke tekens van zijn vurige karakter.

Hij had onze mensen voortdurend vergezeld tijdens voorgaande militaire campagnes en had zelfs Romeins burgerrecht verkregen en de ridderstand bereikt. Deze jongeman speelde in op het gebrek aan daadkracht van de generaal (Varus) en zag zijn kans schoon voor een misdaad.

Hij bespeurde, heel verstandig, dat je niemand sneller de baas kunt worden dan iemand die nergens bang voor is en dat een catastrofe vaak begint met een gevoel van veiligheid.

In het begin betrok hij slechts een handjevol mensen bij zijn plannen, later meer. Ze konden de Romeinen best de baas worden, zei hij, en hij wist anderen te overtuigen, en om de daad bij het woord te voegen stelde hij een datum vast voor het complot.

Varus werd hiervan op de hoogte gebracht door een vertrouweling van hem uit die stam, Segestes, een man van naam, die er ook op aandrong dat men de samenzweerders in de boeien zou slaan. Maar het lot was inmiddels sterker dan de plannen van Varus en het had hem verblind, hij zag de zaken niet meer scherp.

Ja, zo zit dat: meestal als de godheid iemands fortuin gaat veranderen, tast hij eerst diens oordeelsvermogen aan, en wat het ellendigste is, hij maakt dat wat er gebeurt ook diens verdiende loon lijkt, dat domme pech overgaat in schuld.

Zo kwam het dus dat Varus antwoordde dat hij het niet geloofde. In de schijnbare goedgezindheid van de Germanen jegens hem zag hij, naar hij verklaarde, ‘erkenning voor zijn verdiensten’. Maar na die eerste waarschuwing was er geen tijd meer voor een tweede.

(119) Het verloop van de zeer verschrikkelijke ramp, dan dewelke geen enkele ramp erger was dan de schade na Crassus bij de Parthen bij buitenlandse volkeren voor de Romeinen, zullen wij, net zoals anderen, proberen uit te leggen met terechte boekdelen: nu moet het belangrijkste in tranen verteld worden.

Het sterkste leger van allen, door discipline, door vechtlust en door ervaring in oorlogen het beste tussen de Romeinse soldaten, omsingeld door de luiheid van de leider, door de trouweloosheid van de vijand en door het oneerlijke lot, toen de echte gelegenheid zelfs niet gegeven werd om te vechten of om te vluchten, in hoeverre ze dat hadden gewild, terwijl sommigen zelfs met de doodstraf zijn gestraft omdat ze Romeinse wapens en (Romeinse) moed hadden gebruikt, (het leger), omsloten door het woud, door het moeras en door hinderlagen, is door de vijand afgemaakt en volledig uitgeschakeld, (een vijand) die het leger altijd op die manier als vee had afgemaakt, zodat het leven van hen nu eens door woede, dan weer door vergevingsgezindheid werd gematigd.

Bij de leider was er meer zin om te sterven dan om te vechten: hij heeft immers als successor naar het voorbeeld van zijn vader en grootvader zichzelf doorboord.

Van de twee prefecten van het kamp bood Lucius Eggius een roemrijk voorbeeld, maar dat van Ceionius was in dezelfde mate smadelijk. Want toen het grootste deel van de troepen was bezweken, deed hij een voorstel tot overgave en wilde hij liever sterven door foltering dan door strijd.

En Vala Numonius, luitenant van Varus, voor het overige een bedaagd en deugdzaam man, gaf de aanzet tot een rampzalig voorbeeld: hij haalde de cavalerie weg bij de infanterie, liet die zo achter en vluchtte met zijn divisies richting Rijn.

Maar Fortuna/het lot wreekte zijn actie. De troepen die hij verraadde overleefde hij niet, maar hij sneuvelde bij zijn verraad. Het lijk van Varus, half verbrand, werd door de vijand woest verminkt en toegetakeld.

Zijn hoofd werd afgehouwen en naar Maroboduus gebracht, die het doorzond naar Augustus. Daar werd het ondanks alles eervol bijgezet in het familiegraf.

(120) Toen Tiberius van de gebeurtenissen hoorde snelde hij terug naar zijn vader. De voortdurende beschermheer van het Romeinse rijk nam zoals altijd zijn verantwoordelijkheid. Hij wordt naar Germania gestuurd, zorgt voor rust en orde in de Gallische provincies, verdeelt de legers en versterkt de garnizoensplaatsen.

En dan meet hij zichzelf aan zijn eigen grootte, niet aan de pretenties van de vijand die dreigde met een expeditie van Cimbren en Teutonen naar Italië: hij steekt zelf met een leger de Rijn over.

Hij opent de gewapende strijd tegen een vijand die hij van zijn vader en vaderland alleen moest tegenhouden; daarmee was men al tevreden geweest. Hij dringt binnen in hun land, legt daar wegen open, verwoest de akkers, verbrandt de huizen en verplettert wie niet uit de weg gaat. Met grote roem en zonder enige verliezen onder de overgezette troepen keert hij terug in het winterkamp.

Laat ik een zeer verdiend getuigenis afleggen voor Lucius Asprenatus, die als luitenant diende onder zijn oom Varus. Dankzij de dappere en krachtige steun van de twee legioenen waarover hij het bevel voerde wist hij zijn leger te behoeden voor die enorme catastrofe. Hij zakte snel af naar het winterkamp in Germania en zorgde zo dat de stammen op de linkeroever van de Rijn, die ook al wankelden, standvastig bleven.

Maar er zijn mensen die beweren dat hij de levenden weliswaar heeft gered, maar evenzo beslag heeft gelegd op de bezittingen van de troepen die met Varus waren vermoord. Hij zou zich het erfdeel van het afgeslachte leger naar believen hebben toegeëigend.

Ook de moed van Lucius Caedicius, de prefect van het lamp, en van degenen die samen met hem in Aliso door een immense Germaanse troepenmacht werden omsingeld en belegerd, verdient alle lof.

Zij overwonnen alle moeilijkheden, ondraaglijk als die waren bij gebrek aan alles en onoverkomelijk door het vijandelijk geweld. Overmoedige plannen maakten zij niet, maar laf wachten deden ze ook niet. Ze keken uit naar een geschikt moment en baanden zicht toen via het zwaard een weg terug naar hun mensen.

Zo blijkt dus wel dat het Varus, alleszins een serieus man van goede wil, meer ontbrak aan het goede beleid van een commandant dan dat hij het moest stellen zonder dappere soldaten. Daaraan is zowel hijzelf als dat fantastische leger ten onder gegaan.

Toen de Germanen wreed tekeergingen tegen de krijgsgevangenen, werd een roemvolle daad gesteld door Caldus Caelius, een jongeman die zich zijn aloude familie zeer waardig betoonde. Hij greep de keten waarmee hij vastzat en beukte met de schakels hevig in op zijn hoofd. Bloed en hersenen spatten naar buiten en hij overleed onmiddellijk.