Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com

Pallas > Druk 2: boek 2

Hoofdstuk 17, tekst A: In de grot (versie 1)

Toen dan merkte hij ons op en vroeg hij:
"Vreemdelingen, wie zijn jullie en waarvandaan zijn jullie gekomen?"
Wij waren erg bang voor het zware stemgeluid en de reusachtige man.
Ik wist dat de Kykloop woest en goddeloos was, maar toch antwoordde ik:
"Wij zijn Grieken en wij varen van Troje naar huis.
Door allerlei winden werden wij afgedreven ter hoogte van de grote zee en nu zijn we hier aangekomen.(lett.:kwamen we hier aan) Wij smeken u, heb ontzag voor de goden, en help ons: want wij zijn uw smekelingen!"
De Kykloop antwoordde: "Jij bent dom vreemdeling! Want wij Kyklopen hebben geen ontzag voor Zeus of andere goden, omdat wij veel sterker zijn!"
Onmiddellijk pakte hij twee makkers op en gooide die met grote kracht op de grond; hun hersenen stroomden eruit en maakten de grond nat. Hij at ze op als een leeuw en liet niets achter!
Wij baden met de grootste vrees tot Zeus: want we moesten wel omkomen, (lett.: het was onvermijdelijk dat wij omkwamen) omdat het duidelijk was dat wij niet met onze handen de grote steen konden wegduwen van(af) de ingang van de grot.

De volgende dag at de Kykloop weer twee makkers als ontbijt.
Daarna dreef hij de schapen uit de grot en sloot (lett.:sluit) de ingang met de zeer grote steen af.
Toen zei ik tegen mezelf: "Nu moet je een hele slimme list vinden, Odysseus!" Dit plan leek me het best: ik beval mijn vrienden de grote knuppel van de Kykloop puntig te maken en vervolgens onder veel mest te verbergen.