De koning roept de slaaf. De slaaf komt. De baby’s horen. Hij ziet het mandje. In het mandje liggen twee jongens. De jongens schreeuwen en huilen. De koning beveelt de slaaf om de jongens te doden. De slaaf is bang voor de koning. Daarom weigert hij de opdracht. Daarom zijn de jongens niet dood. De slaaf tilt het mandje op en draagt de jongens naar de rivier. Het mandje is geplaats in de rivier. Het mandje blijft drijven. De rivier draagt het mandje en plaatst, waar water tussen bomen stroomt. Daar blijft het mandje steken.