Argo > 3 - Tekstboek
Thema 6, Hades tekst 27
Orpheus, die Eurydike liefhad, smeekte haar dag en nacht in zijn leven bij zich te blijven, maar het noodlot verhinderde dit. Haar moedersterfelijkheid maakte het onmogelijk. De ongelukkige Orpheus, die zijn geliefde vrouw verloor, wilde haar uit de onderwereld terughalen. Hij ging naar Acheron en riep daar huilend en jammerend:“Wat doe ik hier? Ben ik levend hierheen gekomen? Alleen de doden kunnen deze rivier oversteken.”
Orpheus, nadat hij Charon had overwonnen, stak de rivier over en slaagde erin de angstaanjagende Kerberos te kalmeren. Uiteindelijk daalde hij af en smeekte de heersers van de schimmen, de goden van de doden. Door hun bewondering voor zijn prachtige zang overtuigde Orpheus hen. Hades zei tegen hem:
“Je mag je hoofd niet omdraaien terwijl je achter je vrouw aanloopt, maar stilzwijgend mag je opstijgen tot de uitgang van de onderwereld. Daarna mag je Eurydike vanuit de Tartaros bekijken.”
Dus begon Orpheus, in stilte de woorden van de god volgend, omhoog te klimmen. Na korte tijd merkte hij een misleiding: hij had nog niet het geluid van Eurydike’s voeten gehoord. Niet lang daarna bereikte hij de weg – hij zag het licht reeds, maar was er nog niet volledig uit – en hij beging een fout: de liefde en de angst namen nu zulke macht over hem dat hij zijn hoofd niet meer van Eurydike kon afwenden. Meteen nam Hades die geliefde vrouw voor altijd van hem weg.

