Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com

Disco > Boek 1

Hoofdstuk 13, tekst B (versie 3)

Amulius zat in een donker paleis. Hij was nu koning, maar hij was niet blij over zijn macht. Angstige zorgen kwelden hem aan een stuk door, omdat hij zijn broer uit het (koninin)rijk had verdreven en de zoon van zijn broer had gedood. Plotseling kwamen twee geschrokken slaven het paleis binnen en berichtten Amulius: 'O koning, wij hebben een wonder gezien! Rhea Silvia, de Vestaalse maagd, heeft een tweeling gebaard!' Amulius sprong woedend van zijn zetel op en riep met een luide stem uit: 'Wat zeiden jullie? Hoe kan een Vestaalse maagd jongens baren? Wie is de vader van de jongens? Ik beveel jullie: ga meteen terug, dood de jongens en zend hun lichamen in de rivier de Tiber. De slaven gehoorzaamden de misdadige bevelen echter niet: zij plaatsten de jongens in een mandje en zonden het in de Tiber. Met de hulp van Mars is het mandje op de oever van de rivier geland, waar een wolvin het vond. De wolvin voedde en redde hen zo. Later zag een herder hen en droeg hen met zich mee naar een kleine hut. Daar brachten de herder en zijn echtgenote de zonen van Rhea groot samen met hun eigen kinderen.

Statistieken

Vertalingen op de site: 6.535

Nieuw afgelopen maand: 26

Gewijzigd afgelopen maand: 47