Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com

Homeros

Homeros Ilias I (vers 101-222)

Uit de eerste zang
DE ACHAEËRS VERDEELD


4. Boze woorden

Nadat hij zo gesproken had, ging hij zitten en stond ten midden van hen op de held, de zoon van Atreus, een almachtig heerser, Agamemnon (die) gekrenkt (was); van woede werd zijn duistere geest vervuld, zijn beide ogen geleken op flikkerend vuur.
Allereerst sprak hij, kwaad kijkend, Calchas toe.

“Jij onheilsprofeet, nog nooit heb je iets goed over mij gezegd, (altijd is het slechte geliefd aan jou in je geest te voorspellen) altijd vind je het leuk slechte dingen te voorspellen,
nog nooit heb je één goed woord uitgesproken, noch (een daad) in vervulling laten gaan.
Ook nu weer (zeg je terwijl je voorspelt) voorspel je aan de Grieken dat (om wille dáárom) hierom de van ver treffende [Apollo] hen leed bezorgt, omdat ik de schitterende losprijs niet wilde ontvangen voor het meisje Chryseïs, (want) ik wil haar gewoon liever bij mij hebben.
Want ik wil haar zelfs liever dan Clytaemnestra, mijn wettige echtgenote, omdat ze niet (eenvoudiger is dan zij) onderdoet voor haar, noch (wat betreft) qua lichaamsbouw, noch (wat betreft) qua gestalte, noch (wat betreft) qua verstand of huishoudelijke taken.
Maar niettemin (wil ik haar teruggeven) ben ik bereid haar (opnieuw) terug te geven, als dat tenminste beter is;
ik wil dat mijn manschappen veilig zijn, liever dan dat ze sterven.
Maar maak dan een ander eergeschenk gereed voor mij, opdat ik niet als enige van de Grieken zonder eergeschenk (ben) blijf, want dat is zelfs niet denkbaar!
Want jullie zien allemaal dat mijn eergeschenk (naar een ander gaat) verloren dreigt te gaan.”

Hem beantwoordde daarna de snelvoetige, goddelijke Achilles:

“Roemvolle zoon van Atreus, de meest hebzuchtige van iedereen, hoe (zullen) kunnen de dappere Grieken jou een (ander) eergeschenk geven?
Wij weten toch nergens een gemeenschappelijk bezit (terwijl het ligt) liggen, en de dingen die we bij het verwoesten uit de stad hebben meegenomen, zijn al verdeeld, en het past niet dat de manschappen dat opnieuw op een hoop (samenbrengen) gaan verzamelen.
Maar u moet haar nu laten gaan uit eerbied voor de god(en), dan zullen wij, de Grieken, u (drie- of viermaal) dubbel en dik terugbetalen, als Zeus (ooit het uitplunderen van de goed ommuurde stad Troje zal geven) ons tenminste ooit toelaat de goed ommuurde stad Troje uit te plunderen.”

Hem beantwoordend, sprak de machtige Agamemnon:

“Neen, (jij die toch zo goed bent) hoewel je toch zo goed bent, goddelijke Achilles, (steel niet zo met je geest) verberg uw ware gedachte niet zo, omdat je me niet (zult voorbijlopen) te slim af zult zijn noch me zult misleiden. Of wil je (mij) misschien, opdat je zelf je eigen eergeschenk houdt, (dat ik ga zitten terwijl ik in nood ben) zomaar zonder laten zitten, en beveel je mij haar terug te geven?
Nu, als de dappere Grieken een ander eergeschenk (zullen) kunnen geven, (nadat ze het hebben aangepast naar mijn gemoed, opdat het evenwaardig zal zijn) dat aangepast is aan mijn goesting en minstens evenwaardig is, dan ga ik akkoord. (-> verzwegen)

Maar als ze geen ander (zullen) kunnen geven, (neem ik zelf in eigen voordeel terwijl ik zal gaan) dan kom ik zelf halen ofwel jouw eergeschenk, ofwel die van Ajax, of zal ik die van Odysseus (leiden nadat ik genomen heb) komen halen; en hij, die ik zal bereiken, zal kwaad zijn. Nu, die dingen overleggen we later wel;
maar komaan, laten we nu een zwart schip trekken naar (het goddelijke zout) de goddelijke zee en laten we met zorg roeiers ronselen, laten we ook een plechtig offer brengen en laten we Chryseïs met de schone wangen (naar boven) aan boord doen gaan; één bepaalde man lid van de raad moet aanvoerder zijn, ofwel Ajax, ofwel Idomeneus, ofwel de goddelijke Odysseus, ofwel jij, zoon van Peleus, de meest te duchten van alle mannen, opdat je de van ver treffende [Apollo] (gunstig zal stemmen voor ons) met ons zal verzoenen nadat je offers hebt volbracht.”


5. Goddelijke bemiddeling

Zo sprak hij; (aan Peleus’ zoon werd er smart) Peleus’ zoon werd overvallen door groot verdriet, in zijn ruige borst (vroeg zich in twee richtingen af) overwoog zijn hart twee zaken, ofwel dat hij, nadat hij zijn scherpe zwaard van bij zijn dij had getrokken, de anderen schrik zou aanjagen en de zoon van Atreus zou doden,
ofwel dat hij zijn woede zou tegenhouden en zijn hartstocht zou bedwingen.
Terwijl hij dit overwoog in zijn hart en zijn gedachten, trok hij een groot zwaard uit de schede en kwam Athena uit de hemel;
want de blankarmige godin Hera had haar voorop gestuurd, én omdat ze hen beiden even graag zag in haar hart én omdat ze bezorgd was om hen.

Ze ging achter hem staan en greep Peleus’ zoon bij zijn blonde haren, terwijl ze alleen voor hem verscheen, niemand van de anderen zag haar.
Achilles was verbaasd, hij draaide zich om en dadelijk herkende hij Pallas Athena; haar beide ogen fonkelden buitengewoon.
En (nadat ze de stem verheven had) met verheven stem, begon hij haar de gevleugelde woorden te zeggen:

“Waarom toch, kind van Zeus die de αἰγὶς draagt, ben je gekomen?
(Ben je gekomen opdat je de hoogmoed van Agamemnon zou zien?) Zie je soms de hoogmoed van Agamemnon, de zoon van Atreus?
Maar ik zal aan u verklaren dat het zo, denk ik, zal eindigen, door zijn uitingen van overmoed zal hij spoedig om het leven komen.”

Op haar beurt sprak de groenogige godin Athena:

“Ik ben gekomen om jouw hartstocht te bedaren, in de hoop dat je luistert, uit de hemel;
want de blankarmige godin Hera heeft me vooropgesteld, én omdat ze jullie beiden even graag zag in haar hart én omdat ze bezorgd was om jullie.
Maar komaan, houd op met ruziemaken en (trek het zwaard niet met je hand) haal je hand van dat zwaard; maar beschimp hem met woorden (en zeg hem) hoe het hem zal vergaan.
Want ik zal het nu zo zeggen en het zal uitgevoerd worden; ooit zullen voor jou zelfs drie keer zoveel schitterende geschenken aanwezig zijn omwille van zijn [Agamemnon's] hoogmoed;
je moet je dus inhouden en ons gehoorzamen.”
Haar beantwoordend, sprak de snelvoetige Achilles:

“Het is nodig, godin, dat ik (het woord) de woorden van jullie beiden in acht neem, want, hoezeer men ook kwaad is in zijn hart, zo is het beter. Wie de goden respecteert, hem aanhoren ze in elk geval.”

Zo sprak hij, en hij hield zijn zware hand op het zilveren handvat,
hij stootte het grote zwaard terug in de schede en hij (was niet ongehoorzaam aan) negeerde het bevel van Athena niet;
ze was al (terug) op de Olympos naar de woonplaatsen gegaan van de αἰγὶς-dragende Zeus (met de andere goden) waar ook de andere goden wonen.