Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com

Seneca

Brief 13: Geen getob over de toekomst.

2.13.1. SENECA GROET ZIJN DIERBARE LUCILIUS. Dat je een grote geesteskracht hebt, weet ik; want ook voordat je je wapende met heilzame voorschriften die je moeilijkheden lieten overwinnen was je al behoorlijk besluitvaardig tegen de slagen van het lot, en je was dat des te meer toen je de strijd daarmee bent aangegaan en zo heb je je eigen kracht ondervonden. Die kracht kan nooit een zeker vertrouwen in zichzelf schenken tenzij wanneer vele moeilijkheden van alle kanten zijn opgedoken, ja soms ook al te dichtbij gekomen zijn. Dan bewijst zich de ware geesteskracht die niet naar het oordeel van een ander overstapt; het lot is er de toetssteen van.
2.13.2. Geen sportman kan vol zelfvertrouwen de strijd aangaan als hij nooit onderuitgegaan is: hij die zijn eigen bloed heeft zien stromen, wiens tanden gekraakt hebben onder een vuistslag, hij die, beentje gelicht, zijn tegenstander met zijn hele lichaam over zich heen heeft voelen komen en zijn moed niet verloren heeft ook al was hij gevloerd, hij die, zo vaak als hij neergehaald is, des te vastbeslotener weer opgestaan is, die gaat de strijd vol verwachting aan.
2.13.3. Om die vergelijking voort te zetten, het lot heeft je al vaak op je kop gezeten, en toch heb je je niet gewonnen gegeven maar je bent weer opgesprongen en hebt feller weerstand geboden; je dapperheid versterkt dus zichzelf als hij geprovoceerd is. Toch, als je dat wilt, neem van mij wat hulpmiddelen aan waarmee je je zult kunnen versterken.
2.13.4. Er is meer mijn beste Lucilius, wat ons schrikt aanjaagt dan wat ons dwars zit en we lijden vaker door indrukken dan door feiten. Ik spreek hier niet in StoÔcijns jargon maar in een meer toegankelijke taal; wij, StoÔcijnen zeggen immers dat al die gebeurtenissen die gekerm en gezucht veroorzaken onbelangrijk zijn en te verwaarlozen. Laten wij deze grote, maar, bij de goden, ware woorden nu eens achterwege laten: datgene wil ik je voorhouden: niet voortijdig in de put te zitten omdat datgene wat jij als dreigend gevreesd hebt misschien nooit zal komen en in ieder geval nog niet gekomen is.
2.13.5. Sommige gebeurtenissen kwellen ons dus meer dan nodig is, andere kwellen ons voordat het nodig is, weer andere kwellen ons terwijl dat helemaal niet nodig zou zijn; ofwel wij blazen ons lijden op ofwel nemen er vast een voorproefje op ofwel wij fantaseren het. Eerst die eerstgenoemde situatie: omdat een zaak in behandeling is en er nog geen oordeel geveld is, halen we hem naar het heden. Wat ik makkelijk noem, daarvan zul jij beweren dat het moeilijk te dragen is; ik weet dat sommigen lachen als ze gegeseld worden maar dat anderen al kermen onder een vuistslag. Pas later zullen we inzien of dat soort ervaringen hun kracht ontlenen aan hun eigen geweld of aan onze zwakte.
2.13.6. Geef me dit ook toe, dat, zo vaak als mensen je omringen die je ervan willen overtuigen dat je ongelukkig bent, je niet moet denken aan wat je hoort maar wat je ondervindt en dat je met je draagkracht in overleg moet treden en je zelf moet vragen, jij die je grenzen toch het beste kent: "Waarom hebben die lui zo'n medelijden met me ? Wat is het dat zij vrezen, voor wat voor contact met mij zijn ze zo bang alsof een ramp kan overspringen ? Is hier wel sprake van een ongeluk, of gaat het hier meer om iets met een slechte reputatie dan dat het zelf slecht is ?". Stel jezelf de vraag: "Is het misschien wel zonder reden dat ik mezelf kwel en treur en maak ik geen ongeluk van wat het niet is ?".
2.13.7. Ik hoor je zeggen: "Hoe moet ik dan begrijpen of het loze of reŽle zaken zijn waarover ik me bezorgd maak ?". Maak de volgende stelregel hiervoor tot de jouwe: ofwel door het heden ofwel door de toekomst worden we gekweld of door beide. Over het heden is een oordeel gemakkelijk: als je lichaam vrij en gezond is en elke grief door onrecht ontbreekt dan zullen we wel zien wat de toekomst inhoudt: nu heb je daar geen omkijken naar.
2.13.8. 'Maar het is toch m'n toekomst'. Bekijk dan eerst eens of de bewijzen van die toekomstige ellende wel zo zeker zijn; meestal immers lijden we op grond van vermoedens en speelt dat gerucht ons parten dat een oorlog pleegt te beslechten maar dat meer nog individuen treft. Zo ligt het, mijn beste Lucilius: we sluiten ons al gauw bij de heersende opvatting aan; wij onderwerpen niet aan kritiek wat ons vrees aanjaagt en schudden het niet af, maar we worden van ons stuk gebracht en gaan er zo vandoor als die soldaten die de stofwolk van een kudde rennende schapen hun kamp uitdrijft of die een of ander anoniem verhaaltje de stuipen op het lijf jaagt.
2.13.9. Ik weet niet hoe het komt dat loze geruchten meer schrik aanjagen; de waarheid heeft immers haar begrenzing in zichzelf: alwat uit onzekerheid voortkomt wordt uitgeleverd aan het gissen en de vrije fantasie van de angstige ziel. Geen enkele soort vrees is derhalve zo dodelijk en zo onstuitbaar als paniek; de andere immers zijn redeloos, maar de laatste zonder geest.
2.13.10. laten we dus de zaak nauwkeurig onderzoeken. Waarschijnlijk is er een of ander onheil in aantocht: dan is dat nog niet meteen een feit! Hoeveel onheil is niet onverwacht opgedoken! Hoeveel onheil is tegen de verwachting in nergens opgedoken! Ook al is het in aantocht, wat baat het dan om je smart tegemoet te lopen ? Je zult voldoende snel te lijden krijgen als het er eenmaal is: houd jezelf intussen een betere toekomst voor.
2.13.11. Wat voor voordeel zul je hieruit trekken ? Tijd. Veel kan er gebeuren waardoor een dreigend of al bijna aanwezig gevaar ofwel tot staan komt ofwel verdwijnt ofwel op andermans hoofd terecht komt: brand biedt wel een vluchtmogelijkheid; een instorting legt sommigen zachtjes op de grond; soms is een zwaard teruggenomen van de huid van de nek; er zijn er die hun beul overleefden. Ook het onheil heeft zijn nukken. Misschien zal het zich voordoen, misschien ook niet: maar in de tussentijd is het er in ieder geval niet; stel je intussen voorspoed voor.
2.13.12. Soms, zonder dat zich tekenen voordoen die enig onheil aankondigen, beeldt iemand zich loze fantasieŽn in: ofwel men vervormt 'n woord met dubbele betekenis naar de slechte betekenis ofwel men stelt zich een belediging die iemand hem aandeed als groter voor dan hij is en men denkt niet zozeer aan hoe kwaad de ander is maar hoeveel macht die heeft. Er is geen reden meer tot leven, geen enkele beperking meer aan onze ellende, als men zoveel vreest als mogelijk is. Laat dan de voorzichtigheid je helpen, ban dan met je geesteskracht de vrees uit, ook als hij voor de hand ligt; zo niet, verdrijf dan het ene tekort met het andere en temper je vrees met hoop. Niets van wat gevreesd wordt is zo zeker dat het niet nog zekerder is zowel dat het gevreesde mee kan vallen als dat de verwachting ons kan misleiden.
2.13.13. Onderzoek dus je verwachting en je vrees en doe je zelf een plezier telkens wanneer ze onzeker zijn: geloof wat je het liefste wilt. Als aan de vrees meerdere overwegingen ten grondslag liggen, wees dan toch meer hiertoe geneigd en houd op jezelf in verwarring te brengen en houd verder dit voor ogen dat het grootste deel van de stervelingen, ook al hebben ze met geen enkel onheil te kampen en ook al hebben ze niets van dien aard als zeker voor de boeg, verontrust zijn en de zenuwen hebben. Niemand kan zich immers inhouden wanneer hij zich eenmaal begint te laten meeslepen noch houdt hij zijn vrees in de pas met de werkelijkheid; niemand zegt 'ongeloofwaardig is de zegsman, ongeloofwaardig: ofwel hij heeft het verzonnen ofwel hij is te goedgelovig geweest'. We leveren ons uit aan de wind; we vrezen twijfelachtige zaken alsof ze vast staan; we bewaren geen maat, achterdocht slaat terstond om in vrees.
2.13.14. Ik geneer me ervoor hierover met jou te spreken en je dan met zulke povere lapmiddelen te troosten. Een ander zal zeggen 'Misschien komt het niet': jij moet maar zeggen 'Nou en, wat dan nog? We zullen wel zien wie van beiden de sterkste is; misschien komt hij wel tot mijn voordeel en zal mijn dood mijn leven eervol maken'. De dolle kervel heeft Sokrates groot gemaakt. Pak Cato zijn zwaard af die hem zijn vrijheid verzekert en je ontneemt hem een groot deel van zijn roem.
2.13.15. Maar ik spoor je al te lang aan, terwijl je toch eerder een geheugensteuntje dan een aansporing nodig hebt. Wij wijzen je een weg die niet afwijkt van je aard: je bent in de wieg gelegd voor datgene wat we je voorhouden; vermeerder des te meer het goede in je en maak het nog mooier.
2.13.16. Maar nu moet ik een einde maken aan deze brief, als ik er eerst zijn stempel op gedrukt heb: het is een prachtige uitspraak die ik hem opdraag aan jou over te brengen. 'Onder allerlei andere rampen heeft de dwaasheid ook deze: zij maakt altijd een begin met leven'. Onderzoek wat die uitspraak betekent, Lucilius, beste kerel, en je zult begrijpen hoe afzichtelijk de lichtzinnigheid is van de mensen die altijd maar nieuwe grondslagen onder hun leven plaatsen, zelfs bij hun dood renoveren ze nog hun verwachtingen.
2.13.17. Kijk om je heen naar de mensen afzonderlijk: grijsaards zullen je voor ogen komen die zich zo veel mogelijk toeleggen op lobbyen, reizen, zakendoen. Wat is echter schandelijker dan een grijsaard die nog moet beginnen te leven ? Ik zou de zegsman niet aan deze uitspraak toevoegen, als zij niet behoorde tot de minder bekende en niet wijd verbreide uitspraken van Epicurus, uitspraken die ik mij veroorloofd heb te prijzen en tot de mijne te maken. Het ga je goed.